De ondemocratische democratie

         juli 2011          

Ons Belgisch politiek systeem is een 'representatieve democratie, waarin het volk vertegenwoordigers afvaardigt naar een parlement, die daar in naam van de burgers wetten en reglementeringen al dan niet goedkeurt, en o.a diegenen aanstelt die voor de uitvoering ervan zorgen. (de regering)

Vorig jaar in juni kregen wij Belgen, zoals de grondwet bepaald, de gelegenheid onze vertegenwoordigers in het federaal parlement te kiezen. Omdat enkele gewijzigde artikelen in de kieswet door het grondwettelijk hof ongrondwettelijk waren verklaard, waren deze verkiezingen in feiten ongrondwettelijk, maar met het gezegde 'nood breekt wet' voor ogen verklaarden de ongrondwettelijk gekozenen de verkiezingsuitslag dan maar wettelijk. 

Zoals in de meeste democratieŽn presenteren de kandidaat-volksvertegenwoordigers en senatoren zich aan de kiezers op een verzamellijst van een politieke partij. Of beter gezegd: De onderscheiden partijleidingen beslissen wie er op die lijsten kandideert.

In de grondwet is er met geen woord sprake over politieke partijen, wat natuurlijk niet wegneemt dat kandidaat-volksvertegenwoordigers zich om praktische reden, zowel voor als na de verkiezingen, mogen verenigen in een bepaalde politieke stroming

Uiteraard is het grondwettelijk mogelijk zich als 'onafhankelijke', dus tot geen enkele politieke partij behorend,  kandidaat aan de kiezer voor te stellen, maar gezien de hoge kosten en organisatorische rompslomp die zowel een verkiezingscampagne als de parlementaire werking met zich meebrengt, is dat in de praktijk in feiten onbegonnen werk.

Als gevolg daarvan kunnen wij in regel dus enkel kiezen voor kandidaten welke een bepaald partijprogramma onderschrijven, en zich bijgevolg, eens verkozen, bij de uitoefening van hun mandaat zich er toe verbonden hebben de betrokken partijlijn en de richtlijnen van de partijtop na te leven.

Dat maakt  de gekozen parlementsleden weliswaar in theorie de 'gekozenen des volk', zoals dat grondwettelijk voorzien is, maar in de praktijk zijn zij de vertegenwoordigers van de politieke partijen. In (en buiten) het parlement treden zij op als spreekbuis en/of 'stemknopduwer'. Het zijn dus niet zijzelf, maar de partij die bepaalt wat er al dan niet gezegd en/of gestemd wordt.

Zelfs al hebben wij een voorkeurstem op een bepaalde kandidaat uitgebracht, wij kiezen dus geen persoon als vertegenwoordiger, maar een partij.

Omdat sinds de helft van vorige eeuw in BelgiŽ geen enkele partij de meerderheid meer haalt, dienen verkiezingen in dit land, in tegenstelling tot wat men de burger voorhoudt, niet om een bepaald soort beleid, laat staan om een regering, of eerste minister te kiezen, maar wordt hij ter stembus geroepen om enkel de machtsverhouding tussen de verschillende partijen te bepalen. Vanaf de dag na de verkiezingen, gaan de partijkopstukken dan onder mekaar uitmaken welke parlementaire meerderheidscoalitie er tot stand komt. Een compromis-regeerprogramma wordt opgemaakt, en ministerposten worden verdeeld. Ten slotte wordt de regeringsamenstelling en haar programma door de vertegenwoordigers van de meerderheidspartijen in de "kamer van volksvertegenwoordigers" goedgekeurd.

Om de grondwettelijke schijn hoog te houden laat men ťťn en ander weliswaar de de Koning bevestigen, maar die handelt uiteraard volledig volgens aangeven van de partijvoorzitters.

Zoals in vele landen is, onder het mom van de politieke versplintering tegen te gaan, sinds jaren een 'kiesdrempel' ingesteld, waardoor de stemmen voor partijen welke minder dan 5% van de kiezers wisten te bekoren, automatisch verdeeld worden onder de andere partijen.

 

 

Daardoor worden alle burgers die voor de niet-kiesdrempelhalende partijen hebben gestemd, samen met al deze die om welke reden ook, blanco, of ongeldig hebben gestemd, vertegenwoordigd door  partijen voor wie ze geenszins hebben willen stemmen.

Samen met de feitelijkheid dat, afhankelijk van de regio, en al naargelang het daar gehaalde aantal stemmen, er nogal relatief grote verschillen zijn tussen het benodigde aantal stemmen voor een kamer- of senaatzetel, maakt de kiesdrempel en het ontbreken van vertegenwoordiging van blanco- en ongeldig-stemmers, dat er nogal wat vragen kunnen gesteld worden over het democratisch gehalte van dit systeem.  

Maar dat zou al bij al, gezien dit 'afgewassen' democratisch systeem wereldwijd verbreid is, nog te pruimen zijn, indien het daar zou bij blijven.  Men is echter in dit land heel wat verder is gegaan in het     "dť-democratiseren" van ons politiek systeem..

In BelgiŽ is men, sinds begin van de jaren zeventig van vorige eeuw, als gevolg van de (terechte) Vlaamse ontvoogdingstrijd, via de verschillende staatshervormingen, er in geslaagd ons federaal democratisch systeem zodanig uit te hollen dat men, samen met een taalgrens, als gevolg van de taalsplitsing van de politieke partijen, eveneens een 'politieke grens' tussen de taalgemeenschappen heeft ingesteld.

Daardoor werd de democratische keuzevrijheid van de kiezer beperkt tot enkel de regionale partijen van zijn eigen regio. Als gevolg daarvan wordt hij, wat ook de verkiezingsuitslag moge wezen, zowel via het parlement als de regering voor de helft vertegenwoordigd en geregeerd door partijen voor wie hij NIET heeft kunnen stemmen.

In geen enkel ander land ter wereld bestaat het parlement en de regering uitsluitend uit regionale partijen, eenvoudigweg omdat het zowel ondemocratisch als onzinnig is dat partijen die enkel verantwoording hebben af te leggen tegenover een bepaalde regio, toch de andere regio's meebesturen.

De feitelijke politieke, culturele en maatschappelijke twee- (drie-) deling van dit land, evenals de huidige reeds meer dan een jaar durende politieke impasse, en onvermogen een federale regering te vormen, zijn daar het logische gevolg van.

Omdat de 'grootste' partij van dit land, met amper 17.4% van de stemmen, en  de tweede grootste (13.7%), samen 31.1% van de stemmen, wegens hun ideologische tegengesteldheid, tot geen akkoord kunnen komen, en de andere partijen om (regionale)electorale reden zich niet van ťťn van beiden durven ontdoen, wordt hier bewezen dat ook de verkrachting van de democratie zijn grenzen heeft.

Wij leven hier niet, zoals voorstanders van een ver doorgedreven federalisering beweren, in een land met twee verschillende democratieŽn, maar in een land zÚnder democratie, of op zijn minst, een ondemocratische democratie.

Dat de logica van een federale kieskring voor federale verkiezingen geen ingang vindt, kan deze vaststelling alleen maar onderstrepen.

Renaat van Poelvoorde