Compromissen zijn altijd 'slechte' akkoorden                         februari 2011

Na zeven en een halve maand informeren, verduidelijken en bemiddelen, raken politici en allerhande  experten, technici,  professoren en opinieduiders het maar niet met elkaar eens over hoe en op welke wijze men dit land moet hervormen, laat staan, over welke nieuw federale regering het dient te besturen.

Het verkeerd gebruik, of gewoon misbruik van woorden en begrippen zoals "responsabelisering", "confederale staat", "confederaal model",  "beter geen akkoord  dan een slecht akkoord", komen stilaan mijn strot uit.

Poltici (en hun entourage, waarbij ik min of meer ook de media begin te rekenen) menen, al dan niet terecht, dat hun kiezers van dergelijke begrippen geen kaas hebben gegeten, en maken zich bijgevolg te pas en te onpas ongestraft schuldig aan woord- en begripsverkrachting .

Zo wordt de egoÔstische eis dat ieder van de gewesten het maar met zijn, al dan niet voldoende, eigen inkomsten moet rooien, vakkundig bedekt met het stilaan populair wordend begrip 'responsabelisering'.

Sommigen willen van BelgiŽ een 'confederale staat' maken. Een begrip dat helemaal niet bestaat, gezien een confederatie bestaat uit verschillende van elkaar onafhankelijke staten en dus gezamenlijk helemaal geen staat zijn, maar enkel een verdrag met elkaar hebben afgesloten om bepaalde bevoegdheden gezamenlijk te regelen. (zoals bvb de E.U). Bijgevolg is het begrip 'confederaal model' uiteraard een contradictie in terminus.'

En dan is om de haverklap die dooddoener "beter geen akkoord dan een slecht akkoord". Alsof een compromis, een onderhandelde oplossing waar men ongeveer het midden tussen beide, of de grootste gemene deler tussen meerdere ver uiteenlopende standpunten tracht te vinden, niet ALTIJD een slecht akkoord is.

Uiteraard. Bij een compromis krijgt er niemand zijn zin, en in de ogen van de ťťn heeft de andere meer of minder verkregen dan hijzelf. Een compromis is in wezen geen oplossing voor een geschil, het brengt geen vrede na een oorlog, maar is alleen een 'wapenstilstand' waarbij de verschillende partijen overeenkomen om onder bepaalde voorwaarden af te zien van hun oorspronkelijke doelstellingen, of zich verbinden om (voorlopig) geen actie meer te ondernemen om ze te bereiken..

Een compromis is dus altijd een tijdelijke oplossing waar de 'voorwaarden' de kiemen in zich dragen welke zich op langere termijn  opnieuw tot surrogaten van het oorspronkelijk probleem ontwikkelen.

Bij de achtereenvolgende Belgische staatshervormingen, werd een 'taalgrens' afgebakend, welke in bepaalde gebieden wegens taalfaciliteiten en buitengewestelijke kieskringen, in feiten irreŽel werd, Terloopos versplinterde men sommige beleidsbevoegdheden tot in het onzinnige, en creŽerde men een federaal bestuur bestaande uit enkel gewestelijke partijen, die weliswaar gans het land besturen, maar in ťťn enkel gewest verkiesbaar zijn of verantwoording moeten afleggen. Allemaal hervormingen die stuk voor stuk compromissen waren waarvan men wist dat zij maar een  deeloplossing waren voor onze, oorspronkelijk uitsluitend, taal-, problemen.

Al die compromissen waren per definitie 'SLECHTE' akkoorden omdat een zogenaamd 'goed' en werkbaar akkoord onmogelijk was , gezien er dan een winnaar en een verliezer zou zijn geweest.

De oorspronkelijke taalproblematiek, waarvan het probleem Brussel, de faciliteitgemeenten, en het kiesarrondissement BHV de uit vorige akkoorden ontkiemde problematiek vormen, zijn intussen tot sociaaleconomische beleidsproblemen uitgegroeid. Door de teloorgang van de kolen- en staalindustrie, waardoor tot de jaren zestig, WalloniŽ de Belgische economische motor was, verarmde sindsdien het zuidelijk deel van het land en had het steeds meer steun nodig van het economisch steeds sterkere wordende Noorden.

Eťn en ander, waaronder niet in het minst de Franstalige taalhalsstarrigheid, heeft er voor gezorgd dat men in Vlaanderen steeds minder begrip opbracht voor de hoeveelheid Vlaams belastinggeld dat naar het Waals landsgedeelte vloeit, en vooral de wijze waarop het daar, in de ogen van vele Vlamingen, 'misbruikt' wordt.

Sinds de eeuwwisseling vertaalt dit ongenoegen zich steeds meer in de opgang van de Vlaams-nationalistische centrumrechtse partij N-VA, welke sinds de verkiezingen van vorig jaar wegens haar omvang niet enkel 'onmisbaar' maar tevens bepalend is geworden voor een nieuwe regering- en staatshervorming.

Maar omdat men bij vorige hervormingen grondwettelijk heeft vastgelegd dat alle daaropvolgende staatkundige- regime- en constitutionele hervormingen alleen via consensus tussen de taalgemeenschappen kunnen tot stand worden gebracht, zijn alle, al dan niet gerechtvaardigde desbetreffende eisen en verlangens van de ene taalgroep, afhankelijk van de goedkeuring door de andere.

Men kan enerzijds wel bedenkingen hebben  over het democratisch gehalte van een dergelijk systeem, maar anderzijds kan men er niet onderuit dat deze regeling indertijd op democratische wijze is goedgekeurd door een Vlaamse meerderheid.

Elke 'onrechtvaardigheid', 'financiŽle last', en 'onwerkbare situatie' welke op dit ogenblik Vlaanderen als dusdanig ervaart, is het gevolg van toegevingen, inderdaad door Vlaamse onderhandelaars gedaan, als tegengewicht voor de Vlaamse vraag naar- en het bekomen van alsmaar meer autonomie en overdracht van nationale bevoegdheden naar het gewestelijk niveau.

Die steeds grotere autonomie en bevoegdheden van de gewesten betekende voor het economisch groeiend Vlaanderen een voordeel, terwijl het voor het verzwakt Waalse gewest meer lasten dan baten met zich meebracht. Daarom waren dergelijke overeenkomsten voor Vlaanderen 'verworvenheden', en voor WalloniŽ, toegevingen.

Wie zijn gat verbrand, moet op de blaren zitten, zegt het aloude Vlaams spreekwoord, en dus ook bij deze staatshervorming zal men tot een compromis, dus vooral in de ogen van nationalistisch Vlaanderen,  tot een 'slecht' akkoord moeten komen.

Want, laten wij wel wezen. Niemand geeft ongedwongen rechten of voorrechten af, zonder dat hij daar iets evenwichtig voor in de plaats krijgt.

En laat het nu juist dat zijn dat de voorbije zeven maanden een 'compromis' blokkeert: Vlaanderen heeft niets meer te bieden in ruil voor wat het van WalloniŽ vraagt: Het wil vrijwel op alle persoonsgebonden en sociaal-economische gebieden volledige zelfstandigheid voor de gewesten, en afstand doen van de automatische solidariteit.

m.a.w. Het welvarende Vlaanderen wil zijn grotere rijkdom niet meer delen met het armlastige Wallonie. De zogenaamde 'hardwerkende Vlaming' wil niet meer opdraaien voor de in zijn ogen 'plantrekkende en werkonwillige Waal'. Dat is, in gewone, voor iedereen begrijpbare taal gezegd, wat N-VA en rechtse CD&V-ers in "wetsratees" uitleggen als "onverklaarbare geldstromen naar Wallonie", "economische hefbomen" en "responsabiliseringen"

Dat de Waalse partijen daar vrijwel eenstemmig "NON" tegen zeggen, en ook de Vlaamse linkse partijen daar enige moeite bij hebben, hoeft niemand te verwonderen. Een akkoord dat Veel beter is voor de ene, en waar de andere min of meer slechter mee wordt, mag dan wel (voor Vlaanderen) een goed en sluitend akkoord zijn, een compromis is het alleszins niet.

Met "liever geen akkoord dan een slecht akkoord" kan WalloniŽ best leven. Wie dat zegt, stelt zich dusd ongewild op als bondgenoot van dŗt deel van de Franstaligen dat geen enkele verandering wenst. In dat opzicht fungeert het Vlaams-Nationalisme in feiten als bondgenoot van het Waals-Belgiesisme. Het kan verkeren zou Bredero zeggen...

Het alternatief: splitsing van Belgie: dus het akkoord van de Franstaligen om in ALLES toe te geven , is per definitie onbestaande.

Het ultieme alternatief: de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring door het Vlaams parlement, is alleen al door het bestaan van Europees Brussel, volkomen utopisch, tenzij voor luchtfietsende onverlaten die zich in Kosovo of TsjetsjeniŽ wanen.