De onderdrukker

en de onderdrukten

 

      mei 2013                        

e hiernaast afgebeeld uitspraak van wijlen Malcolm X was gericht aan de blanke Amerikaanse 'man in de straat' welke daardoor gewezen werd op het gevaar dat hij door de toenmalige pers, in handen van de grotendeels racistische elite, enkel voor deze laatste aanvaardbare informatie gaf; en men zich daardoor wel eens kon vergissen in wie zijn vriend en vijand was.

 

De eerder extreme bestrijder van het racisme speelde toentertijd in op het Amerikaans algemeen aanvoelen dat het voornamelijk de zwarten en kleurlingen waren die werden onderdrukt.

Vandaag, een halve eeuw later, is, zijn verwittiging meer dan ooit actueel. Maar meer dan in de jaren zestig van vorige eeuw , geldt nu zijn boodschap behalve op zwarten, kleurlingen en van elders afkomstige immigranten, eveneens voor de autochtone lagere- én middenklasse.  

Een 'facebooekvriendin publiceerde de hogervermelde boodschap van Malcomx met het volgende commentaar:<"Vooral merkbaar als je hoort dat je vakbonden met de grond gelijk gemaakt worden door de mensen die hun rechten ontlenen net van die vakbonden; en ook is de gedachte nu: de rijken mag je niet bestelen (geen belastingen noch herverdeling van hun vermogen om andere levens te redden), maar de rijken mogen met hun 'legale' systemen wel de armen nog armer maken, dus dat is eigenlijk ook bestelen... Dat een rijke zijn vermogen verdedigt vind ik evident, maar dat de arme dat vermogen van die verdedigt is pure domheid en aangeleerde hulpeloosheid!">

Het is inderdaad zo dat ‘wij’ (het overgrote deel van de loonslaven), onze sociale bescherming aan het bestaan en de werking van de vakbonden te danken hebben. Alhoewel die sociale bescherming ver van gelijkwaardig is voor iedereen, en daarenboven sterk afhankelijk van de sector en het aantal werknemers van de onderneming waarin men tewerkgesteld is.

In tegenstelling tot  de beginperiode van ‘de arbeidersstrijd’, is het vandaag de dag voor de vakbonden een probleem om de belangen van, zowel de lage loonverdieners,  als deze van de betere middenklasse moeten verdedigen. Een middenklasse waarin zich zowel minimumloners, als kaderleden met maandlonen van om en bij de vijfduizend euro bevinden. De belangen van die beide uitersten zijn dikwijls moeilijk te combineren.

Dat men (ook) de rijken niet mag bestelen, zelfs niet om anderen het leven te redden, werd meer dan tweeduizend jaar geleden reeds door,  een ons allen gekend zogenaamde profeet, ( voor sommigen zelfs de zoon, van wie het bestaan, gezien zijn zwijgzaam toekijken op wat er met zijn schepping gebeurt, toch wel sterk kan worden betwijfeld), bevestigd met de woorden “geef aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt”. Wŕt hen elk precies dan wel toekwam, is een  cruciale vraag die sindsdien steeds onbeantwoord is gebleven.

Dat armoede niet alleen een ‘bijwerking’ van Rijkdom is, maar door de verwerving van rijkdom juist gecreëers wordt, en visa versa, is een onmiskenbare vaststelling. Diegenen die rijk zijn, of daar tegen aanleunen, zien dat nu eenmaal als een ‘noodzakelijk kwaad’. Diegenen die arm zijn, of daar dreigen in te vervallen, richten hun frustratiepijlen, (niet geheel ten onrechte), eerder op diegenen die daar tussen in hangen, dan op de werkelijke veroorzakers van hun situatie. 

En juist deze (grote) groep in de middenklasse, die, geďndoctrineerd door de zetbazen van de financieel-economische elite, zich ter aanbidding aan de poten van het moderne gouden kalf (strevers- en consumptiemaatschappij) werpt, hoopt ooit  óók tot de rijken te behoren.

Het spreekt voor zich dat zij datgene naar waar zij streven en diegenen die hen daarbij kunnen helpen, niet tekort gaan doen, integendeel. (Daarom dat politieke partijen waar die strevers zich thuis voelen, zoals VLD en N-VA, en deels ook CD&V, elke maatregel welke de bovenklasse raakt, dan ook prompt afwijzen.) 

Hoe dan ook, zoals door mijzelf, en heel wat meer verstandige anderen, tot in den treuren herhaald, poneer ik hier nogmaals de stelling dat in een sociaaleconomisch systeem, welke gestoeld is op het in concurrentie zijn met anderen,  streven naar steeds meer en beter, en via een bedrieglijke democratie welke de werkelijke (totalitaire)  macht bij de bovenklasse legt, woorden als herverdeling, gelijkwaardigheid, en gelijkberechtiging, uit den boze zijn, en begrippen zoals solidariteit, eerlijkheid, en rechtvaardigheid, sterk uiteenlopende invullingen krijgen, al naargelang het voor de betrokken groep  voor- of nadelig uitkomt. 

Het is best mogelijk dat het aan de (van nature uit aangeboren) domheid en de aangeleerde, door het systeem bestendigde, hulpeloosheid te wijten is, dat de minderbedeelden (in de ruime zin van het woord) zich gelaten neerleggen bij een systeem dat hen tot ‘voedingsbodem’ van de rijken maakt.

Het is nog maar de vraag of zij in deze maatschappij, waar het overgrote deel van de middenklasse om opportunistische reden de machtstructuren van de bovenklasse blijven ondersteunen, wel enige kans krijgen om zich daartegen te verzetten. 

Ten slotte ben ik van mening dat de kracht van de, zowel door rechts als links, bezongen, en als fundamenteel beschouwde vrijheid, evenredig is aan de macht welke zowel het individu als de groep heeft . Als gevolg daarvan speelt de zogenaamde vrijheid steeds in het voordeel van de machtige en in het nadeel van de ‘onmachtige’.

Om die reden vind ik de West-Europese ‘sociaal-democratie’, waarin  het grootste deel van links  zich heeft ingeschreven, eigenlijk een contradictio in terminus. Want, aangezien in een democratie zoals wij die kennen, de macht bij de sterkste (groep) ligt, en omdat de machtsterkte bepaald wordt  door bezit, kan deze democratie onmogelijk sociaal zijn, en werkt zij dus in het nadeel van de minderbedeelden.

De middenklasse is weliswaar niet de onderdrukker van de onderklasse, maar ondersteunt tegen beter weten in, de werkelijke onderdruker van hen beiden.

Renaat Van Poelvoorde

 

 

 

©RVP-2013