Karl Marx in de eenentwintigste eeuw 

       mei 2012          

Marxisme, Leninisme, Communisme, Socialisme...over hun oorsprong, leer, doelstelling, ontwikkeling en uitwerking zijn uitvoerige werken geschreven, en aardig wat uiteenlopende theorieŰn verkondigd.

Nochtans zijn de beginselen van het marxisme, het enige daadwerkelijke socialisme, heel eenvoudig. Zij werden o.a. voor iedereen begrijpbaar samengevat in het "Charter van Quaregnon", aangenomen op15 juli 1894 tijdens het buitengewoon congres van de 'Belgische Werkliedenpartij'.

Daarin werd gesteld dat Alle rijkdommen en hun voortbrengselen, zowel in het verleden als in het heden, ontstaan en voortgebracht, ofwel natuurlijke bestanddelen ofwel de vruchten zijn van hand- of hoofdarbeid van de geslachten, en beschouwd dienden te worden als het gemeenschappelijk erfgoed van het mensdom.

Verder leest men er in dat Individuele personen of groeperingen  van personen enkel rechtmatig over enig erfgoed konden beschikken, voor zover dat het maatschappelijk nut diende en het doel had om zoveel mogelijk vrijheid en welzijn voor de gemeenschap te verschaffen.

Volgens het Charter hield de eerder vermelde doelstelling  de verdwijning van het kapitalistisch stelsel in, alsook de hervorming van de bestaande maatschappij welke, in tegenstelling tot het kapitalisme niet uitsluitend ten voordele van een ÚÚn of meer bepaalde groepen, landen, of volkeren zijn, maar van de gehele mensheid.

Om de doelstelling: het vrij en kosteloos gebruik van alle voortbrengselen van natuur en arbeid, te verwezenlijken, werd de vorming van een collectivistisch stelsel noodzakelijk geacht.

In wezen bevatten de vorige alinea's de hoofdlijnen van wat de Marx en Engels voor ogen hadden. Een basistheorie waar  menig hedendaags, zelfs linkse proletariŰr  even van terugschrikt. Want laten wij eerlijk zijn, de naoorlogse generaties zijn zodanig ge´ndoctrineerd van het  bezits- en streversideaal dat men enkel als wereldvreemde simplistische utopist nog enige hoop kan hebben op een eenentwintigeeuwse aanvaarding van deze theorie.

De sociaaldemocratie, de gedegenereerde, de in de tijd steeds 'zieker' geworden nakomeling van het door Marx ge´nspireerde socialisme, blijft, tegen beter weten in, vasthouden en geloven in een sociaal bijgestuurd kapitalisme. Een systeem dat, vooral in Noordwest Europa, na de tweede wereldoorlog, tot halfweg de jaren zeventig van vorige eeuw, mede door de geloofwaardige 'bedreiging' van het communistische Oostblok, de 'arbeidersstand' tot een zekere mate van welvaart kon verheffen.

Sinds het 'wegvallen' van die dreiging,  tegelijkertijd ook aanzien als een overwinning van het kapitalistisch systeem, is de kracht van de sociale bijsturing stelselmatig verminderd, en is zowel de macht als de verrijking van de economische en financiŰle elite zodanig explosief toegenomen dat het systeem zelf uit zijn voegen barst.

Bij elke, steeds frequenter voorkomende economische depressie, blijkt steeds opnieuw dat niet de meest welstellenden, maar juist de mindergegoeden en lagere middenklasse  het gelag moeten betalen, dat alles onder het lijdzaam toezien, en zelfs met medewerking van de ondertussen tot links-liberalen verworden sociaaldemocraten.

Zoals op het einde van de negentiende eeuw de 'verworpenen der aarde' tot ontwaken werden opgeroepen, zo zouden nu, meer dan een eeuw later, de 'bedrogenen van het kapitalistische sociaal liberalisme' moeten opstaan en zich verenigen. Niet om zoals hun voorgangers in 1894 vruchteloos hebben getracht, de kapitalistische draak te bestrijden, want daarvoor is het te sterk, maar om het te isoleren en  via  co÷peratieve onderlinge samenwerking zijn overvloed aan voedingsbronnen in te perken.

Zoals massale en technisch perfect uitgeruste, maar lompe legerovermachten niets vermogen tegen de guerrillatechnieken van eenvoudig bewapende, maar bijzonder beweeglijke milities, kan misschien ook de almacht van het kapitaal en de massale aanbidding van het gouden kalf, verzwakt worden als een steeds groter aanzwellend deel van de burgers het alternatief van de co÷peratieve economie daar tegenover stellen.

Enkel wie niets of weinig heeft, en daardoor uitzicht kan hebben op voldoende, is bereid daarvoor te strijden, omdat hij weinig of niets daarbij te verliezen heeft. Wie reeds meer dan voldoende heeft schaart zich voorlopig in min of meerder mate bij diegenen die te bestrijden zijn, vooral omdat zij zich door hun 'leenheren' laten voorhouden dat zij recht en uitzicht hebben op nˇg meer.

Vooral om die reden ziet het er dus naar uit dat ook het eenentwintigeeuwse Marxisme, zoals zijn negentiende-eeuwse voorganger, enkel kan ontkiemen als een meerderheid van het 'volk' zich ervan bewust is geworden dat het behoort tot de 'bedrogenen'.

In afwachting van de noodzakelijke ommekeer kan de guerrillastrijd van de' co÷peratisten' voor de huidige minderheid  misschien voor enig soelaas zorgen...

Renaat van Poelvoorde

  

ęRVP-2012