Een samenleving

zonder gemeenschappelijk bezit

 

                                 April 2013                         

 

De natte droom van de neoliberale kapitalistische, elite, en haar, niet door enig eigen redeneringvermogen geplaagde, volgelingen, is de verwezenlijking van een maatschappij waarin alle gemeenschappelijke onroerende en roerende bezittingen, alsook alle openbare dienstverleningen, in handen komen van private personen, groepen, bedrijven of instellingen.

Zowel de Europese Unie, als het IMF en de OESO, doen er dan ook alles aan om de landen die zij onder hun controle hebben, zoals het hulpbehoevende Griekenland, Spanje, Portugal, Ierland en ItaliŽ, rechtstreek of onrechtstreeks te verplichten om hun openbare financiŽn te saneren door zoveel mogelijk openbare bedrijven, instellingen, en dienstverleningen te privatiseren. Zelfs tot het absurde toe: het privatiseren van de openbare wegen.

Na het bank- en verzekeringswezen, de energievoorziening, de luchtvaart, het international treinverkeer, en telecommunicatie, welke in de Europese Unie nu al volledig verdragrechtelijk geprivatiseerd zijn, worden de laatste loodjes gelegd om, waar dat nog niet op eigen initiatief is gebeurd, ook de het post-  spoor- en busverkeer volledig te privatiseren.

Europese plannen om zelfs de elementairste levensvoorziening, de drinkwatervoorziening en      -bedeling op de concurrentiŽle privťmarkt te gooien, bevinden zich al in een vergaand stadium, zodat ook daar de kwaliteit en kostprijs ondergeschikt aan de winstmaximalisatie kan worden gemaakt.

Ook op de gezondheidszorg, ziekte- en zelfs werkloosheidsverzekering, ontsnappen niet aan de gierachtige ogen van investeerders beleggers en beursspeculanten. Maar men is er voorlopig nog niet uit hoe men die winstgevend kan maken. Dus, tot zolang er daar geen baten te rapen zijn, kunnen de kosten als gevolg van de hoge winsten in de farmaceutische sector voorlopig maar beter door de belastingbetaler opgehoest worden.

Spijtig voor de investeerders is het onderwijs, behalve dan privťscholen voor rijkelui en vetbetaalde hogere ambtenaren van de EU, geen renderende sector, en is men al best tevreden met het feit dat de overheid om de haverklap de studie-inhoud herwerkt, zodat de winstgevende schoolboeken- en educatiemiddelenmarkt
daar toch aardig door floreert.

Ondertussen hebben pientere investeerders brood gezien in de chronische nood van de overheid om hun steeds weerkerend begrotingstekort aan te vullen. Door het aankopen van overheidsgebouwen, en deze dan opnieuw te verhuren aan de verkopende overheid, doet zowel de investeerder, als op het eerste zicht, ook de verkopende overheid, een goede zaak.
De investeerder verhuurt aan een prijs waardoor hij op relatief korte termijn zijn investering terugverdient, om nadien met weinig onderhoudskosten er het grootste deel van d huurprijs aan over te houden. De overheid daarentegen, krijgt dan wel, zomaar uit het niets, zonder dat de burger daar iets van ondervindt, een aardige som, maar dient vanaf het jaar daaropvolgend ten ewige dagen een bijkomend bedrag aan huurkosten in zijn begroting op te nemen.

Op langere termijn is er dan nog enkel sprake van een win-verlies-operatie: De investeerder heeft er hoe dan ook aan verdient, maar de overheid verliest niet enkel het onroerend bezit maar tevens, eens de totaal betaald huurbedrag de verkoopprijs - gederfde interest overschrijdt, elke jaar het bijkomende huurbedrag.

Het wordt een, door de liberalen aangestuurde mode, om bij steeds meer overheidsprojecten, zogenaamde 'join-ventures', de zogenaamde Publiek-Private-Samenwerking, aan te gaan. Dit kan allerlei vormen aannemen. De meningen, of de overheid, dus de gemeenschap, daar ook op lange termijn voor- of nadeel uit haalt, blijven verdeeld. Het winstprincipe dat er voor de investeerders hoe dan ook dient in te zitten laat eerder het laatste vermoeden.

Op de vraag wat er gebeurt, als ťťn of meerder bedrijven van gemeenschappelijke nutsvoorzieningen of -diensten de fles opgaan, is sinds de ervaringen met e banken het antwoord gekend: de gevolgen van overmatige winsten en/of risico-investeringen komen steevast ten goede aan diegenen die dat hebben mogelijk gemaakt: de ceo's en aandeelhouders, terwijl de gevolgen van evenredige en precaire verliezen noodzakelijkerwijs ten laste van de 'gebruikers' ervan, dus de burger vallen.

Meer moet dat niet zijn voor de goede, intelligente, en markteconomisch onderlegde investeerders van de financiŽle elite.

Dat is dan ook de reden waarom men van uit liberale en aanverwante hoeken er alles aan doet om U te overtuigen dat wij MEER Europa, en MEER privatisering, MEER overheidsbesparingen, en MINDER overheid nodig hebben.

Want hoe minder gemeenschappelijk bezit er in een samenleving is, en hoe kleine de financiŽle macht van de overheid, hoe groter de individuele vrijheid, opdat diegenen die de macht en het geld hebben, nog meer macht en geld kunnen vergaren.

Vraag is, of er in een gemeenschap van machtigen en de daar uit voortspruitende onmachtigen, nog sprake is van een 'samen'-leving.

Renaat Van Poelvoorde
   

©RVP-2013