De toekomst van het kapitalisme             juli 2009

In het begin van dit decennium, en dit tot de helft van vorig jaar, kraaiden alle experts op tv-kanalen en in de kranten dat de economie, dank zij het steeds 'vrijer' maken van de markt, goed draait. Na veertien lange jaren van stagnatie en deflatie, afgewisseld met aarzelende korte lichte heroplevingen, zag de toekomst er volgens hen rooskleurig uit.

En Inderdaad, vooral sinds 2005 leken de economische cijfers die euforie te rechtvaardigen. Het gemiddelde huishoudinkomen (en -uitgaven) zou jaarlijks met 5 procent gestegen zijn. De vermindering van de werkloosheid creŽerde zelfs het nieuwe 'luxeprobleem' dat de stijgende werkgelegenheid, bij gebrek aan (juist geschoolde) werknemers, nog moeilijk werden ingevuld. De miljoenen banen die sinds 1990 van de westerse geÔndustrialiseerde landen  met de bedrijven meeverhuisden naar lage-loonlanden zoals zoals China, India en Oost-Europa, kwamen (volgens de cijfers) sinds 2004 gestaag terug naar Europa, Amerika en Japan .  Sindsdien steeg de gemiddelde rijkdom van Amerikaanse, West-Europeese en Australische gezinnen, vooral omdat de prijzen van eigendom, zoals huizen en bouwgronden, omhoog bleven gaan. Veel van deze extra rijkdom werd dan ook gespendeerd, doordat families hogere hypotheken namen en het verschil uitgaven.

Het leek alsof de kapitalistische wereld opnieuw de hoek was omgedraaid rond de eeuwwisseling, na de dreiging van een grote recessie,  al bleef Europa  tot 2006 wel achterop hinken. De economische groei kwam in de meeste Europese landen zelden boven de 2,5%, en voor een systeem dat het van winstmaximalisatie moet hebben, was dat toch maar mager.

In werkelijkheid was de welvaartstijging die de burger  sinds 2004 mocht ervaren dus miniem en slechts flinterdun.  Het dagelijks bestaan van een doorsnee West-Europees gezin bestaat in regel uit twee ouders die lange uren kloppen om voldoende inkomen te verkrijgen ten einde hun 'modale' levensstandaard te kunnen behouden. De welvaart waarover men spreekt, gaat in grote mate slechts naar de top van de samenleving.

Afgezien van de groteske onrechtvaardigheid die het mondiale kapitalisme oplegt aan mensen die niet langer winst opbrengen voor de eigenaars van kapitaal, zijn de meeste grote Europese economieŽn in toenemende mate voor hun welvaart afhankelijk van de opbrengst van Ďdienstení, en steeds minder van de productie van goederen.

Maar zonder dat de verwerkende industrie nieuwe producten maakt die mensen kunnen gebruiken om te leven, kunnen de financiŽle sectoren geen winsten maken en mensen tewerkstellen. Het beangstigende verhaal van het kapitalisme in de 21e eeuw is evenwel dat die enorme greep van de grote financiŽle groepen betekent dat, indien ze ineenklappen, de productieve sectoren worden meegesleurd. En dat is nu juist wat gebeurde toen de bankencrisis uitbarstte. 

Nog nooit in de geschiedenis van het kapitalisme heeft de toekomst zo sterk afgehangen van de aanhoudende stijging van de beurzen. Elke neergang in de prijs van aandelen en obligaties betekent een inzinking van het krediet, en daarmee de sluiting van reŽle productie. Het kapitalisme is vandaag zo parasitair, dat het met verlamming wordt bedreigd.

Het lijkt een paradox, dat de huidige bankcrisis het gevolg is van een wanhopige poging om de Ďwelvaartí te ondersteunen en een crisis te vermijden. De managers van het kapitalisme hadden de voorbije jaren namelijk  de grootste financiŽle bel gecreŽerd die de wereld ooit heeft gekend.  De Amerikaanse, Japanse en de Europese Centrale Bank hadden het papieren krediet zodanig opgedreven in de vorm van wissels en leningen dat een gigantische schuld werd opgebouwd die driemaal het jaarlijkse nationaal product van de VS vertegenwoordigde.

Deze ontzaglijke schuld die opgebouwd was om het kapitalisme voort te laten boomen, ging uiteindelijk steeds meer kosten aan de ontleners (huiseigenaars, bedrijven en regeringen) om ze terug te betalen, wat uiteindelijk de ineenstorting van dit financieel kaartenhuis als gevolg had.

De toekomst van het kapitalisme, en dus van ons allen,  hangt nu af van zijn parasitaire (financiele) financiŽle sector. Hun nood aan winst kan echter de gouden industriŽle gans vernietigen die de eieren van de winst legt. Onder al het gepraat over welvaart ligt deze fundamentele paradox.

De regeringen van de geÔndustrialiseerde landen doen er alles aan om via gemeenschapsgelden het kaartenhuis terug recht te zetten, niet alleen door de op apegapen liggende banken te ondersteunen, maar ook de overproducerende en verliesopstapelende wereldconcerns (autosector) van de ondergang te redden. Het alternatief is wereldwijde massale werkloosheid en welvaartsachteruitgang, en is bijgevolg geen optie.

Het kapitalisme is tegen haar grenzen aangebotst en de reddingsmiddelen kweken de kankerkiemen welke tot een nieuwe botsingen leiden. De vraag is niet of, maar bij welke van de nog volgende botsingen het gezwel openbarst en het systeem onherroepelijk explodeert. De toekomst van het kapitalisme ziet er ver van rooskleurig uit.

Het heeft namelijk geen toekomst...

Renaat Van Poelvoorde.