De illusie van een

'Verenigde Staten van Europa'

en de contradictie met de

'Zelfstandige Staten van BelgiŽ'

 

       Januari 2013                         

 

Eendracht maakt macht

Meer dan ooit prediken vandaag de goeroes van de Europese eenmaking de noodzaak van een doorgedreven eengemaakte Europese Unie, zeg maar een 'Verenigde Staten van Europa', waar vrijwel alles wat vandaag niet tot de gemeentelijke bevoegdheden behoort, door ťťn centrale Europese regering, parlement en administratie zou geregeld worden.

Het heet dat in een 'gemondialiseerde' wereld het noodzakelijk is om zowel op monetair als economisch gebied het beleid zo eenvormig mogelijk dient te zijn ten einde de concurrentie aan te kunnen met de huidige en opkomende economische reuzen zoals de VS, Japan, China, BraziliŽ en India. Zonder een financieel-,  sociaaleconomisch-, en bijgevolg ook politiek-eengemaakt Europa zou de 'oude wereld' gedoemd zijn om reeds in de tweede helft van deze eeuw af te glijden naar het niveau van het huidige Afrika. De politieke eendracht tussen de Europese volkeren zou hen de macht teruggeven om, zoals in de vorige eeuwen verschillende onder hen, een groot deel van deze wereld te beheersen.

Voor wie zijn geschiedenis kent is het echter vruchteloos zoeken naar een voorbeeld van een confederatie of statenbond, laat staan het samensmelten van verschillende landen met totaal van elkaar verschillende volken, met eeuwenlange zelfstandigheid, tot ťťn enkel land, al dan niet in een confederaal susteem. Voor zover er op deze aardbol daar ooit pogingen toe zijn ondernomen, waren die nooit een lang leven beschoren. Vooral omdat de reden van vereniging niet zozeer het welzijn van de gehele bevolking voor ogen had, dan wel meestal gestoeld was op macht- en bezitswellust van een beperkte elite. Dat de samensmelting of gezamenlijke lotsbestemming zelden voldoende draagvlak onder de onderscheiden bevolkingen had of kon behouden, was een andere, niet minder belangrijke oorzaak tot een al dan niet vreedzame scheiding.

De herhaling van geschiedkundige blunders

De Europese Unie is een zoveelste herhaling van  geschiedkundige blunders. Ook hier is, onder het mom van de bescherming, en zelfs de verbetering van de welvaart der Europese volkeren, het een kleine elite van groot-kapitaalbezitters (de voormalige grootgrondbezitters) die omwille van de steeds sterker wordende concurrentie van hun Aziatische en Zuid-Amerikaanse evenknieŽn hun 'leengoeden' (landen) trachten te verenigen onder eenzelfde 'bevelvoerder' (regering).

De plaatselijke 'leenheren' (Presidenten of  Eerste Ministers) trachten zoals hen is opgedragen, de geleidelijke machtsoverdracht aan de bevolking te verkopen met de belofte dat een gemeenschappelijk gecentraliseerd Europees beleid 's lands en 's werelds problemen beter zal kunnen oplossen. Bovendien zijn, in tegenstelling tot bij unilaterale beslissingen, gemeenschappelijk genomen fouten gemakkelijk in andermans schoenen te schuiven, en ontloop je daardoor spelenderwijs je plaatselijke politieke verantwoordelijkheid, wat electoraal altijd meegenomen is.

Voor een Europese Unie met volledige bevoegdheid over de nationale inkomsten en uitgaven, en de sociaaleconomische wetgevingen, laat staan een Politieke Unie, is er in de overgrote meerderheid van de dertig lidstaten geen maatschappelijk draagvlak te vinden. Hoe meer besluiten  van regeringsleiders daar naar toe sturen, hoe groter de aversie tegenover hun doelstellingen wordt bij de bevolkingen in hun thuishavens.

Woorden wekken, voorbeelden strekken, maar ontbreken

Voorstanders komen steevast aandraven met de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland, als voorbeeld van 'confederaties' die blijk geven dat projecten als de EU wel degelijk werken en succesvol kunnen zijn.

 Maar, noch bij de VSA, noch bij Zwitserland, is er sprake van een 'confederatie', gezien hun deelstaten vooraf nooit onafhankelijke soevereine staten zijn geweest. Beiden zijn zij niets meer of minder dan bvb Duitsland en BelgiŽ : federale staten waar vanuit het oorspronkelijke centrale gezag, meerdere bevoegdheden aan de deelstaten zijn toebedeeld. Dus in feiten het omgekeerde van wat er met de EU en zijn lidstaten gebeurt.

Daarenboven hebben hun verscheidene bevolkingsgroepen geen eeuwenoude eigen nationalistische staatkundige en sociaaleconomische maatschappijvorm gekend. Een nationalisme dat, voor zover het in de naoorlogse tijd  tot 'sluimertoestand' was teruggebracht, tegenwoordig juist opnieuw blijkt aan te wakkeren door de roep naar dťnationalisering.

Op de vraag, waarom datgene wat nog nooit gewerkt heeft, nu wel zou lukken, heb ik vooralsnog geen enkel onderbouwd antwoord gehoord of gelezen. Gemakshalve beperkt men zich doorgaans tot dooddoeners als daar zijn: "De omstandigheden, problemen en mogelijkheden zijn nu helemaal anders", of "Vergelijkingen lopen altijd mank"

Ons land, dat eigenlijk kan beschouw worden als een mini-Europa met drie taalkundig-, en ook enigszins op bepaalde vlakken cultureel verschillende volken, bevond zich enige decennia terug in het stadium waarop men uiteindelijk met de Europese Politieke Unie wil komen: Een light versie van een federale staat waar behalve de culturele en taalwetgeving, aangevuld met andere minder belangrijke bevoegdheden, alle economische, sociale, maatschappelijke, nationale, en internationale politieke bevoegdheden in handen van de centrale regering is.

BelgiŽ, het anti-voorbeeld

De, zowel taalkundige-, culturele- sociologische als economische verschillen tussen de bevolkingsgroepen en de geografische landsdelen, noodzaakten de achtereenvolgende Belgische federale regeringen via, tot heden zes staatshervormingen, steeds meer centrale bevoegdheden over te hevelen naar de verschillende gewesten. En als bepaalde nationalisten hun zin krijgen , daarin in Vlaanderen gesteund door naar een meerderheid groeiende bevolking, is een quasionafhankelijkheid van de deelstaten niet meer zover af.

Bijgevolg stel ik vast dat in ons eigen land juist het omgekeerde gebeurt van wat zich in de EU afspeelt. Verbazend daarbij is dat zowel de voorstanders van de Belgische decentralisatie, als deze van de Europese centralisatie, de zelfde argumenten gebruiken om hun gelijk te ondersteunen.  Dat dit  bij mijn weten vrijwel door niemand in vraag wordt gesteld, brengt mij op zijn zachts gezegd, enigszins 'in de war'.

Want in BelgiŽ heet het, dat het economisch beleid naar de deelstaten moet, omdat die beter kunnen inspelen op de plaatselijke economische behoeften. Maar voor de EU moet die bevoegdheid echter van de lidstaten weggehaald worden  omdat men enkel op centraal vlak de noodzakelijke concurrentiehefbomen zou kunnen hanteren.

De Belgische staatshervormers vinden dat de arbeidswetgeving en -activering beter naar de gewesten gaan omdat volgens hen "zowel een werknemer als een werkloze in Antwerpen niet dezelfde noden, middelen, en mogelijkheden heeft of dient te hebben, als zijn collega in Trois-Ponts. Volgens de Europese Unie zou al datgene wat werknemerswetgeving betreft, eenvormig moeten worden, ten einde de concurrentiehandicap en arbeidsvoorwaardendiscriminatie tussen de verschillende lidstaten weg te werken.

Nog gekker is het met de landbouwbevoegdheid gesteld: Terwijl de voornaamste wetbepalingen ter zake reeds van kort na de eerste levensdagen van de EEG (voorganger van de EU) tot de centrale Europese wetgeving behoort, vond men het enige staatshervormingen terug toch nodig om de (intussen vrijwel inhoudsloze)  portfeulle van landbouw naar de deelstaten over te hevelen.

En zo kan men nog een tijdje doorgaan: terwijl men in Europa zogenaamd omwille van de efficiŽnte werking  van het economische, financiŽle en politieke beleid zo veel mogelijk wil centraliseren, OPDAT HET VOLK ER BETER ZOU VAN WORDEN, is men in BelgiŽ, om reden van diezelfde efficiŽnte werking, reeds veertig jaar onverdroten bezig om het centrale gezag van zoveel mogelijk bevoegdheden te ontdoen, OPDAT HET VOLK ER BETER ZOU VAN WORDEN.

Besluit.

Als het, in dit blijkbaar zo moeilijk bestuurbaar land ťťn ding duidelijk maakt, dan is het wel dat men tegen de wil van de bevolking, geen eenvormig beleid kan voeren voor een samenleving die, wonend in verschillen geografische gebieden, een verschillende taal spreken, en maatschappelijk op meerdere vlakken anders denken, werken en leven.

Men wil van Europa een BelgiŽ van vůůr 1980 maken, en van BelgiŽ een Europa van van voor diezelfde tijdsperiode. En omdat het ene als bewijs geldt dat het andere niet kan werken, en visa versa, zullen beiden misschien ooit in de geschiedenis aangehaald worden als voorbeeld van georganiseerde en georkestreerde idioterie. 

Renaat van Poelvoorde

 

 

 

©RVP-2012