Hoe concurrentie zowel welvaart als armoede creŽert,

       maart 2012          

'Concurrentie' is een min of meer modern woord voor de in oorsprong 'drang om te overleven'. Reeds in de oertijden waren samenlevingseenheden (gezinnen, stammen) steeds met elkaar in strijd om het behoud of verovering van 'vruchtbare gronden' met bijhorende, als voedsel fungerende, fauna en flora .

Hoe groter het bevolkingsaantal binnen de samenlevingsvormen werd, hoe meer daarin levende sub-samenlevingsvorman ontstonden die onderling in concurrentie gingen. De 'pikorde' binnen die samenlevingen werd grotendeels bepaald door de individuele en/of groeps- fysieke sterkte .

Naargelang in de loop van de geschiedenis de  samenlevingsvormen evolueerden naar gestructureerde maatschappijen, geregeld door al dan niet democratisch tot stand gekomen wetten en regels, werd de fysieke kracht verdrongen door de verworven sociale status binnen de samenleving, hetzij door afkomst, bezit, en aanzien, hetzij door een combinatie daarvan.

De eeuwenoude klassenmaatschappij, waar in oorsprong de  edelen zich verrijkten via het werk van lijfeigenen of slaven, welke zij ter compensatie in leven hielden, evolueerde vanaf de  18de eeuw tot de basisvorm van het kapitalisme van, door en voor de al  dan niet uit de adel stammende fabriekseigenaars en herenboeren, 'gezoogd' door een  onderbetaalde, grotendeels in armoede levende arbeidersklasse en landbouwpachters.

Vanaf het einde van de 19de eeuw tot in de tweede helft van de 20ste eeuw zorgde de arbeidersstrijd, na de tweede wereldoorlog vooral in West-Europa daarbij gesteund door de angst voor het communisme,  voor de creatie van 'welvaartstaten' , in het ene land al meer dan in het andere, met een min of meer  doeltreffende sociale zekerheid welke de "uit de boot-vallenden" tegen al te grote armoede moesten beschermen.

Waar de de socialistische experimenten in Oost Europa en AziŽ, in oorsprong het door K.Marx uitgewerkte gelijkwaardigheidbeginsel trachtte na te streven, paste in West-Europa het aloude adellijk kapitalisme  zich noodzakelijkerwijs aan aan een 'loon naar werken' -systeem.

In feiten is, de sociaaldemocratie en de sociaal gestuurde economie een compromis tussen het kapitalisme en het zuiver socialisme.  Tot kort na de tweede wereldoorlog werd de maatschappij gevormd door -een 'leidende' klasse van 'rijken,    -een 'middenstand' van zelfstandige en vrije beroepen, en notabelen die enig aanzien genoten en zich al wat extra's konden veroorloven, -een arbeidersklasse die ondanks zes, twaalf uur durende werkdagen, in relatieve armoede leefden, en ten slotte -de werkelijke armenklasse.

Dat aloude sociale klassensysteem bestaat vandaag ook in Europa en Noord-Amerika nog steeds, al is het dan in licht gewijzigde vorm . Behalve de leidende klasse van rijken, en de (weliswaar niet meer hongerlijdende) armen, is er een grote middenklasse met nogal sterk uiteenlopende inkomens en belangen ontstaan, waartoe zich niet enkel de oorspronkelijke middenstanders en hogere kaders, maar ook het grootste deel van de 'werknemersklasse' zich toe rekent.

Vraag blijft hoe het komt dat, ondanks een relatief goed sociaal systeem in de meeste West-Europese landen, deze elk toch gemiddeld tussen de 10-15% onder de armoedegrens levende burgers tellen, en in de rest van de wereld, vooral in Afrika en zuid Amerika, ondanks alle Uno- en NGO-acties, men de armoede en ellende, grotendeels ontstaan na de kolonisatieperiode, al die tijd niet noemenswaardig heeft weten terug te dringen.  

Voor zover hen die vraag wordt gesteld, blijven de verantwoordelijke politieke natie- en wereldleiders meestal het antwoord schuldig. In plaats van daar een gemotiveerd antwoord op te geven, beperken zij zich hoogstens tot vrijblijvende  verontschuldigingen, aangevuld met het gebruikelijk aanwijzen van de bijbehorende 'zondebokken'

Mijn inzien begrijpelijk, gezien men steevast blijft uitgaan van het kapitalistisch vrije-marktmodel, met zijn prestatie- en concurrentiestrijd en de fetisj van de ongebreidelde productie- consumptie- en winstgroei.

De zo geroemde "vrije-markt" is is niets meer of minder dan een beschaafde(?) kopie van het oeroude jungleprincipe: Wie het sterkt of het slimst is, of een combinatie van beide, rijft zo niet de gehele, dan toch het grootste stuk van de buit binnen. De fysisch- of verstandelijk zwakkeren, het kleinste of zelfs helemaal niets.

Maar in tegenstelling met de junglewet, waar de 'overwinnaar' het teveel aan buit meestal achterlaat, waardoor de 'overwonnenen' dikwijls toch nog een deel van 'de koek' kregen, vereist het vrije- marktprincipe en de 'winstmaximalisatie'  dat ook het directe overtollig gewin door de winnaar wordt ingepalmd, waardoor de 'chronisch overwonnenen' een onherroepelijke dood (faillissement) tegemoet zien. 

Hoe dan ook heeft de sociaal democratie, vooral in het naoorlogse West-Europa, mede door de druk van het dreigende communisme, daar enige correctie weten in aan te brengen. Via allerlei sociale bijdragen en belastingen werden de winnaars (met wisselend succes) al dan niet uit eigenbelang gedwongen een klein deel van hun overtollige 'buit' af te staan aan de gemeenschap, welke die pleegt aan te wenden voor gemeenschappelijke voorzieningen en ondersteuning van de zwakke 'overwonnenen'.

Reeds eeuwen voorziet deze aarde, mede geholpen door de vindingrijkheid van de mens, voorlopig nog over voldoende grondstoffen, opbrengsten en middelen om wereldwijd ALLE mensen een menswaardig bestaan met stijgende welvaart en welzijn te verstrekken.

De hebzucht van 'de sterksten', daarin lijdzaam gevolgd door hun 'onderhorigen' hebben er echter steeds voor gezorgd dat een kleine groep van de wereldbevolking het overgrote deel van alle grondstoffen en hun opbrengsten in handen hebben. Daar waar nodig voor het handhaven van het kapitalistisch systeem, is er een middengroep van 'gemiddeld sterken' gecreŽerd met een relatieve welstand, welke deskundig gemanipuleerd wordt  om de machtspositie van de financieel-economische elite te consolideren.

Ondertussen blijft wereldwijd het groot deel van de mensheid, welke, al naargelang de gemiddelde welvaart van het land onveranderlijk in armoede leven. (spijts alle inspanningen en goede voornemens van Uno-organisaties)

Maar, zolang men het zowel het individuele- als groepsprestatie- en concurrentiebeginsel niet afzweert, zal rijkdom armoede genereren en omgekeerd armoede de rijkdom blijven 'zogen'. Zolang men waarde van iemand, afhankelijk maakt van zijn afkomst, maatschappelijke positie, functie, en/of diploma, en men de waardering van de geleverde prestatie daar afhankelijk van maakt, is spreken over rechtvaardigheid, niets meer dan hypocriete volksverlakkerij.

Niet het onnatuurlijke 'gelijkheidsbeginsel', waar men wegens zijn onbereikbaarheid het gemakshalve maar al te vaak over heeft, maar de "gelijkwaardigheid" van alle mensen en beroepen,  zou het eikpunt moeten zijn waar zowel natie- als wereldleiders hun beleid moeten op afstemmen.

Maar gezien 'gelijkwaardigheid' de waarde en maatschappelijke status van macht, bezit, vermogen, en kennis, sterk relativeert, is het niet echt verwonderlijk, dat dit begrip zelden of niet voorkomt in wetten en regels,... en het zelfs bij de 'gewone man in de straat' vrijwel onbekend is.

 Renaat van Poelvoorde

    

©RVP-2012